“We moeten ze niet zo pamperen”
Nu loop ik toch al wel wat jaartjes mee in onderwijs en de “pamper-term” heb ik zo op gezette tijden regelmatig voorbij horen komen. Vaak wordt dit argument, als je het zo zou mogen noemen, ingebracht als reden om de student, of leerling niet teveel te ondersteunen. De gedachte erachter is dan vaak dat we -ook zo’n bekende term- de curling baan oppoetsen, of zelfs: de cheeta niet een dood konijn geven, daar gaat deze namelijk niet meer hard van rennen.
Met al het hierboven wordt bedoeld dat we de student niet teveel moeten ondersteunen omdat deze anders niet meer zelf in actie gaat komen omdat dat niet meer nodig is en al geregeld is.

Okay, so what? Nu, ik denk graag genuanceerd en ook hier denk ik dat de waarheid in het midden ligt. Want loop je zonder pamper niet het risico dat het nat wordt?

Mijn standaard reactie (ja, ik ben ook een docent en heb dus een standaard van vocabulaire en grapjes), is dat pamperen meer iets over ons eigen handelen zegt dan het handelen van de student. Wat voor de ene student pamperen is, is voor een andere passende ondersteuning. Goed bedoelde ondersteuning kan aangeleerde passiviteit tot gevolg hebben, maar enkel en alleen als deze niet passend is voor wat de student nodig heeft.

Naast nuance, breng ik ook graag wat modelletjes ter tafel. Nu heb ik het onderstaande model wel een beetje erg simpel gemaakt maar noem het scaffolding of zelfs differentiatie. Het dient ervoor om mijn punt te maken.
Denk er even over na, maar mijn stelling is dat geel de “ideale pijl” is: des te minder de student het zelf kan des te meer begeleiding zal deze nodig hebben. Na verloop van tijd, en dus ontwikkelende competentie, zal er minder begeleiding nodig zijn. Logisch toch? We noemen dit ook wel de zone van naaste ontwikkeling. Dit geldt voor mij in elke onderwijs didactiek, de klassikale setting en, misschien zelfs wel meer, voor hybride leeromgevingen. Ook een coach kan pamperen of laten zwemmen.

Bij de blauwe pijl zien we een probleem. Het pamper-argument zou inderdaad op kunnen gaan voor een deel van de studenten: hoog competentie niveau, dus inderdaad minder ondersteuning is prima. Graag zelfs, maar voor een ander deel kan het natuurlijk heel anders zijn, daar zit een gevaar. Nu, aan wie is het om te bepalen aan welke begeleiding passend is op welk moment? Wie is de pedagogisch en didactisch expert?

Voor mij vertroebelt het pamper argument vaak de discussie. Een slecht idee (teveel ondersteuning organiseren) op de kop (geen ondersteuning organiseren) is nog niet een goed idee. Voor mij gaat de discussie over de foute pijl, daar ga je dus niet uitkomen.
Ik zou willen voorstellen dat we de zwem-pamper-zone samen met de student bepalen met behulp van ons pedagogisch en didactisch inzicht. Op die manier komen we op de gele pijl terecht. Soms hebben wij de pamper in de pedagogisch-didactische tas te laten en soms mag deze gegeven worden. Als er nog wat meer geoefend mag worden. Als er binnen de afstemming maar sprake is van vertrouwen en afstemming.

Hopelijk bij een volgende onderwijsdiscussie waar het pamper-argument gebruik wordt hoop ik dat u nog eens terug denkt aan de pamper-zone en iets meer nuance kan aanbrengen in de discussie. En, dat hierdoor de pamper niet het excuus vormt voor het inrichten van ondersteuning, waar dat mogelijks wel passend en zelfs noodzakelijk is. Of kan bedenken dat dit misschien meer iets zegt over de didactisch en pedagogische kwaliteiten van de pamperaar. Maar misschien ben ik u nu juist aan het pamperen.

FavoriteLoadingVind ik leuk

Over Lars Veerhoff

Lars werkt in Venlo bij FIBS als onderwijskundige en is betrokken bij diverse Fontys netwerken. Hij heeft een enorme passie voor leren en ontwikkelen. Met een onderwijswetenschappelijke achtergrond en meer dan 15 jaar onderwijservaring (speciaal ow, vo & hbo) probeert hij door onderzoek en begeleiding een steentje bij te dragen aan de verbetering van hét onderwijs.